biografie

ellul150pxTerrorisme, Facebook, schuldencrisis, milieuvervuiling en de opkomst van de politiestaat: de Franse denker Jacques Ellul (1912-1994) heeft het allemaal voorspeld. Toch werd in Frankrijk neergekeken op de provinciale, protestantse professor. Wie was hij?

Ellul is niet in een hokje te stoppen. Officieel doceerde hij sociologie en rechtsgeschiedenis aan de rechtenfaculteit in Bordeaux. Maar als hij achter zijn schrijftafel zet, iedere ochtend van zes tot acht, overschreed hij de grenzen van welk vakgebied dan ook. Hij schreef meer dan vijftig boeken en duizend artikelen, en de samenstelling is bijzonder: de helft van zijn werk is sociologisch, de andere helft theologisch. Niet gek dus dat zijn aanhang is verspreid over veel verschillende stromingen.

Techniek

In 1954 publiceerde hij het boek dat het fundament vormde voor zijn verdere werk. Het verscheen in Amerika – pas tien jaar later, op aandringen van de schrijver Aldous Huxley – onder de naam The Technological Society. De wereld wordt niet gestuurd door het kapitaal, schrijft hij, of door politiek, maar door iets anders: door techniek. Niet techniek in de zin van apparaten en machines, maar in de zin van een maatschappelijk ordeningssysteem dat zichzelf aandrijft, voortdurend op zoek naar het éne meest efficiënte middel, op ieder gebied. Dus inclusief politieke, economische en sociale technieken.

Als je dat wilt bestuderen, zal je het in samenhang moeten bekijken. Je kunt niet praten over de “voordelen en nadelen” ervan. Techniek zet namelijk ons hele leefmilieu op z’n kop. Neem de auto. Die staat niet op zichzelf, want een auto is verweven met de wegen die je ervoor moet bouwen, met de olie die je moet importeren en de doden die in het verkeer vallen. En met de lopende band, die sinds Ford in iedere fabriek is ingevoerd, en de verstedelijking die er het gevolg van is. Niets in de cultuur blijft intact waar techniek doordringt, zegt Ellul.

Systeem

Ellul wordt door veel mensen neergezet als ouderwetse mopperkont die gewoon ouderwets is. Dat is niet terecht. Ellul legt keer op keer uit dat hij niet tegen technische vernieuwing is en hij weet beter dan wie dan ook hoe traditionele samenlevingen gebruik maakten van techniek. Waar Ellul kritisch op is, is op techniek als gesloten systeem. In traditionele samenlevingen hadden technieken maar een beperkt en lokaal domein, zegt hij. In de moderne samenleving zijn technieken dominant geworden en aan elkaar gekoppeld, waardoor het een systeem is geworden waar we niet meer onderuit kunnen. Het is autonoom geworden, en onderwerpt alles aan de wet van technische efficiency. Met andere woorden: de middelen worden hun eigen doel – en alles wat ze tegenkomen reduceren ze tot middel, tot object. Maar dat levert altijd conflicten en problemen op. Die moeten op hun beurt ook worden aangepakt, met nog meer organisatie en techniek.

In het voorbeeld van de auto: de grote mobiliteit maakt een centrale planning van wegenbouw noodzakelijk, en de vraag naar olie zorgt voor de noodzaak van legers in het Midden-Oosten. Om de bevolking mee te krijgen zijn daar weer propagandatechnieken voor nodig. Dat kan alleen een sterke, technische staat voor elkaar krijgen.

Als een vijandige natie technisch sterker wordt, is er maar één weg: zelf ook technisch sterker worden. Zo breidt het technische systeem zichzelf altijd uit. Techniek duldt niets anders dan controle en orde. Maar dat werkt alleen als mensen zich daarnaar voegen. Hun cultuur, hun gemeenschappen, hun natuurlijke leefmilieu, hun vrijheid: alles wordt onderworpen om mensen plooibare, anonieme leden van de massa te maken. Mensen laten zich plooien, omdat ze religieus ontzag hebben voor techniek en vooruitgang.

Toch blijft er conflict bestaan. Mensen en hun cultuur zijn namelijk niet aangepast aan een technologische maatschappij. Hoe technischer en rationeler we de orde maken, des te sterker de onderhuidse spanningen worden, of die zich nu uiten in depressie, seksualisering of bijgeloof. De technische orde zal zich blijven uitbreiden, waarschuwt Ellul, maar wel temidden van een groeiende chaos.

Marx en Jezus

Op jonge leeftijd kwam Ellul al in aanraking met Marx. Toen hij op zijn achttiende Das Kapital las, was het alsof de schellen hem van de ogen vielen. Ineens viel alles op zijn plek: de armoede in zijn jeugd, de werkloosheid van zijn vader, de arbeid in de fabrieken. Marx overtuigde hem van een paar principes die zijn Ellul levenslang zou meedragen. Dat mensen een revolutionaire taak hebben tegenover de maatschappij waarin ze leven. Dat ideeën pas interessant zijn als je hun samenhang met de materiële werkelijkheid analyseert. En, zoals hij in een interview zegt: “Dat ik altijd aan de kant sta van de uitgeslotenen, de niet-aangepasten, de mensen aan de rand.”

Ellul was nooit gelovig opgevoed. Zijn moeder wel, maar praatte daar niet over omdat haar atheïstische man dat niet wilde. Op zijn twintigste maakte Ellul echter een diepe godservaring mee. Hij wilde er nooit veel over kwijt, maar liet alleen zich weten dat het een heftige ervaring was, die hem na een paar jaar ertoe bracht om christen te worden. Toen hij dat tegen zijn moeder vertelde, zei ze: “Het verwondert me niet. Sinds je geboorte heb ik daar elke avond voor gebeden.” Ellul sloot zich aan bij de kleine protestantse Kerk in Frankrijk. Een grote inspiratiebron vond hij de theoloog Karl Barth, die zich in Duitsland verzette tegen het nazisme. Voor Karl Barth stond centraal dat Gods openbaring voor ons nooit honderd procent te vatten was. God is altijd anders, hij staat buiten onze menselijke systemen. Dat maakte indruk op Ellul, die juist begon te ontdekken hoe gesloten onze systemen zijn.

Ellul heeft altijd benadrukt dat de openbaring van God niet in een religie te vangen is, en dus ook niet in het christendom, of in een moraal. Dat is een poging om de vrijheid weer in een systeem te gieten. Niet religie, maar geloof is de tegenhanger van Techniek. Geloof is een antwoord op het woord van God, die ons liefde aanbiedt. Dat heeft met efficiency niets te maken. Het is namelijk vrijheid. De mensheid heeft die liefde altijd afgewezen. Ze willen het heft in eigen hand nemen en willen zelf een toren tot in de hemel bouwen. Dat is de grote lijn in de menselijke geschiedenis. Religie is een onderdeel van het menselijk project om te heersen, aldus Ellul, en Marx heeft dat gezien. Marx biedt noodzakelijke, sociologische kritiek op de kerk. Maar zijn oplossing geeft geen antwoord op het niveau van zingeving. Daarvoor moet je Marx tegelijkertijd onder kritiek stellen van Christus, die volgens Ellul de verpersoonlijking was van Gods openbaring.

Jezus Christus en Karl Marx, dat zijn de twee hoofdlijnen in Elluls denken. Wat nu zo interessant is: hij probeert nooit een middenweg te vinden. Zijn sociologische en theologische boeken cirkelen om elkaar heen als twee strengen van een dna-molecuul. Ze zijn niet in één theorie samen te brengen. Er blijft altijd een spanning. Die spagaat moet je niet proberen op te lossen met een soort ‘links’ christendom. God moet je buiten je systeem houden. Maar tegelijkertijd kunnen we met de vrijheid van God anders in die systemen staan. Hij noemt dat “dialectisch” denken. Sommige tegenstellingen kun je niet verzoenen met een theorie, zegt Ellul, alleen door ze uit te leven.

Verzet

Dat uitleven stond altijd centraal voor Ellul. Concreet betekent dat een permanente houding van verzet. Hij was maatschappelijk heel actief, al in de jaren dertig, samen met zijn vriend Bernard Charbonneau, toen de samenleving werd vermorzeld door totalitaire ideeën van links en rechts. In de jaren veertig waren Ellul en zijn vrouw Yvette, ondergedoken op het platteland, een spilfiguur in het Franse verzet. Hij kreeg er een onderscheiding voor van Yad Vashem.

De ervaringen van kort na de oorlog waren heel belangrijk voor Ellul. Hij was enige tijd loco-burgemeester van Bordeaux, maar hield daar al snel mee op, teleurgesteld over de onmacht van de politiek. Hij was ook teleurgesteld over de oude partijpolitiek die direct na de oorlog al weer de kop opstak. Zijn conclusie: politici kunnen het technische systeem helemaal niet bijsturen, hoe hard ze ook roepen van wel. Iedereen is in de greep van het technische denken. Iedereen wil de wereld verbeteren door massale organisatie of propaganda, maar binnen dat systeem kun je nauwelijks nog sturing geven.

Ellul was geen fatalist. Hij geloofde dat er een goddelijke werkelijkheid is die nooit door Techniek opgeslokt kan worden. De wereld wordt langzaam omgebouwd tot machine. Dat kunnen we niet veranderen. Het is onze roeping om zand in de machine te zijn, zelf. Deze houding zou je christen-anarchisme kunt noemen. Niet anarchistisch in de zin van chaos, maar in de zin van: afzien van macht en beheersing (an-archè), want techniek komt ten diepste neer op macht.

Maar afzien van macht is iets anders dan passief zijn. Ellul was een van de aanjagers van de milieubeweging in zijn regio – toen er in de wereld nog geen milieubeweging bestond – en was jarenlang actief voor probleemjongeren – toen niemand daar nog over nadacht behalve in termen van opsluiting. Hij was actief in de kerk en op de universiteit, en daarnaast nam hij studenten vaak wekenlang mee de bergen in, als soort van parallelle universiteit buiten de bewoonde wereld om kritisch na te kunnen denken over de maatschappij.

Parijse intellectuelen keken neer op de provinciale Ellul, die altijd in Pessac bleef wonen, een dorp vlakbij Bordeaux. Maar toen Ellul overleed, op 19 mei 1994, schreef de krant Le Monde: ‘Werkelijk vrije mensen timmeren, zoals men weet, niet aan de weg’.

We zijn intussen een paar decennia verder. Veel voorspellingen van Ellul zijn uitgekomen. Schuldencrisis, terrorisme, groeiende achterbuurten, milieuproblemen, virtualisering, schaalvergroting, de opkomst van de politiestaat: hij heeft het allemaal gezien. Met naïef optimisme had hij niets. Tegelijkertijd was hij geen fatalist. Hij bleef hoop uitdragen omdat hij geloofde dat er een vrijheid is die nooit aangetast kan worden. In een technisch systeem dat zich in onze tijd alleen maar blijft uitbreiden, hebben we die combinatie van eerlijkheid en vrijheid heel hard nodig.

Biografie

De volgende boeken behoren tot de bekendste sociologische werken van Ellul. We noemen de Engelse versie, die vaak later is verschenen dan de Franse:

  • The Technological Society (1964, oorspr. 1954)

  • The Political Illusion (1967, oorspr. 1964)

  • Propaganda (1973, oorspr. 1962)

  • Money and Power (1984, oorspr. 1954)

  • The Technological Bluff (1990, oorspr. 1988)

De volgende boeken geven een mooie inkijk in zijn theologie:

  • The Presence of the Kingdom (1951, oorspr. 1948), vertaald als Staan in de wereld van nu (1951)

  • The Meaning of the City (1970)

  • The Subversion of Christianity (1986, oorspr. 1984), vertaald als Subversief christendom (1987).

  • Een heel mooie en leesbare samenvatting van Elluls denken is te vinden in het boek Perspectives on our age (1981), een bewerking van gesprekken met Ellul door Willem Vanderburg.

  • Engelstalige artikelen van hem zijn te vinden via www.ellul.org.

  • In het Nederlands is een documentaire verschenen die te vinden is via http://www.rerunproducties.nl/film ellul.htm

  • Op www.ellul.nl geven we een overzicht van de bronnen waar je het beste mee kunt beginnen.

Comments are closed.